Misbruik van recht onder de Woo betekent dat een verzoeker de bevoegdheid om overheidsinformatie op te vragen gebruikt voor een ander doel dan het doel van de Woo, namelijk het bevorderen van transparantie van het bestuur. Hoewel een verzoeker geen belang hoeft te stellen bij een Woo-verzoek, kan het feitelijke doel van het verzoek wel een rol spelen bij de beoordeling van misbruik.
Misbruik wordt alleen aangenomen als sprake is van zwaarwichtige aanwijzingen, bijvoorbeeld als een verzoek evident is bedoeld om het bestuursorgaan te belasten of te frustreren in plaats van om informatie te verkrijgen. Relevant kunnen zijn het aantal verzoeken, de omvang en formulering van het verzoek en de context van eerdere Woo-procedures.
Indien de verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie of indien het verzoek evident geen bestuurlijke aangelegenheid betreft, kan het bestuursorgaan binnen twee weken na ontvangst van het verzoek, dan wel onverwijld nadat is gebleken dat de verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie, besluiten het verzoek niet te behandelen.

“5.5. Ook overigens blijkt uit de handelwijze van [appellant] niet dat hij in dit geval misbruik van recht maakt. Dat [appellant] ook klachten heeft ingediend en regelmatig correspondeert met de gemeente, is op zichzelf bezien geen reden om misbruik van recht aan te nemen. Daarbij acht de Afdeling van belang dat niet uit het dossier valt af te leiden dat [appellant] zich bedreigend heeft uitgelaten.
5.6. Gelet op deze omstandigheden is de burgemeester ten onrechte tot de conclusie gekomen dat [appellant] de bevoegdheid tot het indienen van het Wob-verzoek evident heeft aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven of blijk geeft van kwade trouw. Dit betekent dat de burgemeester het verzoek van 17 maart 2021 in behandeling had moeten nemen.”
In de praktijk laat dit oordeel zien dat een bestuursorgaan niet te snel mag aannemen dat sprake is van misbruik van recht, ook niet wanneer de relatie met een Woo-verzoeker moeizaam is geworden. De Afdeling maakt hier duidelijk dat ook als een verzoeker vaker verzoeken indient of de communicatie stroef verloopt, het bestuursorgaan per individueel verzoek moet blijven beoordelen of daadwerkelijk sprake is van een oneigenlijk doel.
In de praktijk zie je echter dat verzoekers die vaak Woo-verzoeken doen soms een soort “stempel” krijgen als lastige of problematische verzoeker. Daardoor bestaat het risico dat bestuursorganen minder open staan voor de inhoud van nieuwe verzoeken en sneller denken in termen van misbruik, terwijl de rechter juist benadrukt dat het concrete verzoek centraal moet staan en niet het imago van de verzoeker.
Deze uitspraak laat ook zien dat een verstoorde (vertrouwens)relatie of moeizame communicatie op zichzelf geen misbruik van recht oplevert. Het risico bestaat dat het instrument misbruik van recht soms impliciet wordt gebruikt als reactie op een geëscaleerde relatie, terwijl de juridische toets vraagt om objectieve aanwijzingen van oneigenlijk gebruik van de Woo. Juist in situaties waarin de communicatie is vastgelopen, blijft het belangrijk dat een bestuursorgaan zakelijk naar het verzoek blijft kijken en niet alleen naar de voorgeschiedenis met de verzoeker.